Het is niet puur arrogantie. Ik denk dat je het beter kunt vergelijken met de ontwikkeling van veel kleine maakbedrijven, zoals we die ook in Nederland hebben gezien.
Neem metaalbewerkingsbedrijven. Tot ver in de jaren zestig zaten veel daarvan gewoon in een dorp, vaak aan de doorgaande weg of in een woonkern. Tussen de winkels zat dan een man met een draaibank of freesbank die voor de lokale industrie werkte. Klein, overzichtelijk en zonder veel organisatie eromheen.
Vanaf de jaren zeventig veranderde dat. Overheden wilden bedrijvigheid uit de dorpskernen halen vanwege verkeer, geluid en milieu. Er kwamen industrieterreinen en rondwegen, en veel ondernemers verhuisden naar grotere panden. Daarmee veranderde ook hun rol. Waar ze voorheen hun administratie bijna op een bierviltje konden bijhouden, moesten ze opeens een bedrijf runnen met personeel, regels, administratie en management. Ze waren niet langer alleen vakman, maar ook ondernemer.
Als je kijkt naar veel metaalbewerkingsbedrijven uit die periode - qua omvang en organisatie vergelijkbaar met de toeleveranciers in de Zwitserse horloge-industrie - zie je dat een aanzienlijk deel steeds meer te maken kreeg met rompslomp en oplopende overheadkosten. Daar kwamen een paar economische crises overheen en veel van die bedrijven verdwenen uiteindelijk. Grotere, kapitaalkrachtige spelers namen ze over, voegden de omzet toe aan hun eigen bedrijf en lijfden het personeel in.
Opvallend genoeg betekende schaalvergroting lang niet altijd dat bedrijven ook ondernemender werden. Integendeel: er ontstonden vaak organisaties met steeds meer administratief personeel, uitgebreide crediteuren-debiteurenafdelingen en old-school vertegenwoordigers, terwijl marketing en innovatie nauwelijks aandacht kregen. Voor iemand op de marketingafdeling was vaak geen budget, maar mensen die de hele dag formulieren overtypen of papierwerk verwerkten waren er wel. Het echte waardevolle werk gebeurde nog altijd in de werkplaats.
Rond 2000 zag je in veel andere sectoren nog steeds dezelfde manier van werken. Faxen waren heel normaal en scanners werden nog als iets bijzonders gezien. Pas daarna, geholpen door digitalisering, internet en een steeds internationalere economie, ontstond meer ruimte voor efficiëntie, creativiteit en echt ondernemerschap. De wereld werd letterlijk en figuurlijk kleiner.
Volgens mij is de Zwitserse horloge-industrie een vergelijkbaar verhaal. Jarenlang konden kleine gespecialiseerde bedrijven uitstekend functioneren met een vakman achter een draai- of freesbank. Aangezien dit vaak juist de noodzakelijke toeleveranciers waren, werkte dat vertragend en kostenverhogend. Pas toen de organisaties groter werden, ontstond er steeds meer overhead en bureaucratie. Een deel daarvan was onvermijdelijk, maar een deel voegde weinig toe aan het primaire proces. Dat maakte veel bedrijven log en minder wendbaar.
Dat is voor mij een belangrijkere verklaring dan arrogantie alleen. De structuur van die bedrijven maakte het moeilijk om snel te veranderen. En juist in een industrie die jarenlang succesvol was, is dat vaak een groter probleem dan een gebrek aan vakmanschap. Wat ook meespeelde: er werden managers ingehuurd om kosten te besparen (lees: bezuinigen). Dit hielp niet om efficiënter te werken, omdat zij geen patronen konden veranderen die vastgeroest zaten in een logge overhead… De ‘baas’ kon immers niet meer op een bierviltje zijn administratie doen van alleen de werkplaats. De rest was “nodig” om hem te helpen. Hij had inmiddels als ondernemer alleen nog behoefte aan grote projecten, niet aan kleine opdrachten. Daarmee verdween de flexibiliteit. Ik denk: Voor veel van zulke ondernemers was het lucratiever om het grote pand te verhuren, of verkopen, dan om het bedrijf wat ze hadden in datzelfde pand te blijven runnen.